• Fruinlaan
  • Fruinlaan
  • Fruinlaan

Fruinlaan

Professor Robert Jacobus Fruin, hoogleraar in de vaderlandse geschiedenis
Door Hans Elstgeest

Robert Jacobus Fruin, geboren te Rotterdam op 14 november 1823, was van 1849 tot 1860 docent aan het Leidse Gymnasium waar hij geschiedenis en aardrijkskunde gaf. Van 1860 tot 1894 was hij hoogleraar in de vaderlandse geschiedenis aan de Leidse Universiteit. In 1894 ging hij met emeritaat, vijf jaar later, 29 januari 1899 overleed hij te Leiden.

Robert Jacobus Fruin werd in Rotterdam geboren, kind van (Robert Fruin en Elisabeth Maria Perk) welgestelde burgers. Fruin had een zus en enkele broers waaronder Jacobus Anthonie (1829-1884), deze was vanaf 1859 hoogleraar privaatrecht in Utrecht en heeft deze functie tot zijn dood bekleed.
Robert Jacobus begon zijn opleiding na het lager onderwijs aan het gymnasium in zijn geboortestad. In 1842 begon zijn studie in Leiden aan de letterkundige faculteit. Vijf jaren duurde de studie die hij afsloot met een promotie in 1847. Zijn aanvankelijke studierichting Egyptologie liet hij snel weer varen om zich meer te gaan toeleggen op de geschiedenis van Italië en Griekenland. Uitendelijk ging zijn passie toch uit naar de geschiedenis van het eigen land.
Inmiddels was Fruin naar Utrecht verhuisd, niet wetende dat de rest van zijn wetenschappelijke leven zich in Leiden zou gaan afspelen. Het is 1849 als Fruin wordt aangesteld als docent aan het Leidse Gymnasium. Matthias de Vries, die tot dan toe deze plek bezet hield vertrok naar Groningen en Fruin werd leraar geschiedenis en aardrijkskunde.
Een jaar na deze benoeming dient Fruin een verzoek in bij W. H. D. Suringar, rector van het gymnasium en neef van de botanicus, waarin hij vroeg om een eigen lokaal voor zijn lessen. Voor die tijd een vernieuwende aanpak. Tot dan toe had elke klas een eigen ruimte en nu moest na elke les van ruimte worden gewisseld door de leerlingen. Het ontketende een ware revolutie op de scholen. Aanvankelijk was men bang was voor de onrust die deze verhuizingen met zich mee zouden brengen, maar Fruin kreeg zijn zin en uiteindelijk werkt dit al ruim anderhalve eeuw zonder noemenswaardige problemen. Nadat deze poging geslaagd was diende hij opnieuw een verzoek in, ditmaal om een bibliotheek voor de leerlingen van het gymnasium op te zetten. En ook dit geschiedde. Met verschillende verhandelingen en werken van eigen hand verrijkte hij deze bibliotheek, waaronder zijn grote meesterwerk “Tien jaren uit den tachtigjarigen oorlog 1588-1598”.

En weer bepaalde De Vries Fruins loopbaan. De Vries was in 1853 naar Leiden teruggekeerd om daar als hoogleraar op te treden, maar in 1860 geeft De Vries een deel van die leeropdracht weer op. Op deze vrijgekomen plaats zouden Fruin en Bakhuizen van den Brink de grootste kans maken. Fruin trok aan het langste eind, zelfs met medewerking en steun van de andere kandidaat. In februari 1860 werd Fruin benoemd en in juni van dat jaar aanvaarde hij officieel zijn ambt.
Fruin was niet de gedroomde docent; zijn colleges waren niet erg spectaculair, hij was afstandelijk tegenover zijn leerlingen, zijn gezicht strak in de plooi zonder enige vorm van emotie (althans, zo leek het). Hij had zichzelf volledig in de hand maar, en dat moet gezegd, hij imponeerde met zijn enorme kennis.
Zijn schijnbare afstandelijkheid heeft hem nooit aan en levenspartner geholpen. Hij was zijn hele leven vrijgezel en leek daarin te berusten. Fruins leven was geheel gericht op de beoefening van de wetenschap.
Fruin heeft tot zijn pensioensgerechtigde leeftijd (70) het hoogleraarschap bekleed. In het studiejaar 1877-78, op 54 jarige leeftijd, is hij voor de universiteit opgetreden als rector-magnificus.

Fruin heeft in zijn wetenschappelijke leven zo’n 250 werken, studies of artikelen geschreven. De grote doorbraak kwam met de al eerder genoemde ‘Tien jaren..’ uit 1858. Uit dat jaar stamt ook zijn artikel over ‘Hugo de Groot en Maria Reigersbergh’ en later als vervolg op ‘Tien jaren..’, ‘Het voorspel van den tachtigjarigen oorlog’. Veel tijd heeft Fruin gestoken in het doen en laten van Stadhouder Willem III, maar ook Willem van Oranje, Van Oldenbarneveld, De Witt, Slingelandt en Van Hogendorp. Daarbij stelde hij zichzelf hoge eisen wat betreft volledigheid, zorgvuldigheid en waarheid bij het zoeken en gebruiken van bronnen. Dat ook de geschiedenis van de stad waar hij woonde en werkte hem interesseerde bewijst ‘De oude verhalen van het beleg en ontzet van Leiden’ uit 1874. Uit deze tijd stammen ook artikelen over Willem III; ‘Studiën over Willem III en zijn geheime onderhandelingen met Karel II van Engeland in 1672’ en ‘De schuld van Willem III en zijn vrienden aan den moord der gebroeders De Witt’
Van latere tijden zijn studies over Hogendorp zoals ‘De jongelingjaren van (graaf) Gijsbert Karel van Hogendorp’ en ‘Gijsbert Karel van Hogendorp in november 1813’. Wat zijn werk kenmerkte was zijn behoefte om ontdekte fouten te verbeteren en de onvolledigheid van zijn bronnen aan te vullen, ook daar waar anderen dat nalieten. Hierdoor is Fruin echt de grootste op zijn gebied geweest. Hij was niet in de laatste plaats voor de Leidse universiteit van onschatbare waarde, maar zeker ook voor de gehele vaderlandse geschiedschrijving.
In 1894 verlaat Fruin de universiteit als hij op 70 jarige leeftijd met emeritaat gaat. Hierna zijn hem nog vijf jaren gegund. Fruin overlijdt op 29 januari 1899 en wordt op de begraafplaats Groenesteeg te Leiden begraven. Na zijn dood zijn veel van zijn artikelen - al dan niet gebundeld - opnieuw uitgegeven.
Fruin stierf als een zeer vermogend man, hij liet niet alleen een schat aan historisch werk na, ook financieel stond hij er goed voor: zijn bezittingen werden geschat op ca. drie en een halve ton (in guldens, een enorm bedrag in die tijd) en zijn inboedel werd geschat op ca duizend gulden. Daaruit blijkt dat Fruin niet gaf om luxe. Fruin had slechts één belang: een zo volledig mogelijk beeld krijgen en geven van de Nederlandse geschiedenis tussen zestiende en negentiende eeuw. Fruin is voor het Leids Gymnasium, de Leidse Universiteit, voor stad en land van onschatbare waarde gebleken. Dat zijn eerste Leidse werkgever gehuisvest is aan de Leidse Fruinlaan mag dan ook meer dan toeval heten.


Bronnen:
De Leidse universiteit in heden en verleden (J.J. Woltjer)
De wiekslag van hun geest (W. Otterspeer)
Meer dan zes eeuwen Leids Gymnasium (A.M. Coebergh van den Braak)
Nieuw Ned. biografisch woordenboek
Pallas Leidensis MCMXXV (div. auteurs)
Robert Fruin en het Stedelijk Gymnasium (A.H. Huusen)
Winkler Prins encyclopedie