• Van den Branderlerkade
  • Van den Branderlerkade
  • Van den Branderlerkade

Van den Branderlerkade

Burgemeester Willem Cornelis van den Brandeler (ambtsperiode 1866-1880)
Door Hans van Elstgeest

Als Tieboel Siegenbeek in 1866 overlijdt is het Thorbecke die eigenhandig met een opvolger op de proppen komt. Het is de nog geen vijftigjarige Willem Cornelis van den Brandeler. Nog maar net burgemeester van Voorburg (1865) dat toen een zelfstandige gemeente was. Van den Brandeler had het daar overigens erg naar het zin. Maar Leiden had een burgemeester nodig en Thorbecke ziet hem als dé beoogde opvolger.

Lijst
De jonge Van den Brandeler heeft al een indrukwekkende lijst van burgemeesterschappen achter de rug. In 1850 wordt hij burgemeester van Molenaarsgraaf en Bleskensgraaf (en later ook Brandwijk, Wijngaarden en Hofwegen, tegenwoordig één gemeente ‘Molenwaard’, in de omgeving Dordrecht/Gorinchem; de Alblasserwaard. De omgeving van Molenaarsgraaf wordt gekenmerkt door de vele molens). In 1853 verkast hij naar Noordwijk waarna hij naar Den Briel (Brielle) wordt geroepen. Van 1856 tot 1865 is hij daar de burgervader, dan volgt Voorburg en daarna wordt hij benoemd tot burgemeester van Leiden.
Leiden blijkt het eindstation wat betreft zijn burgemeesterscarrière. In 1880 sterft hij op vrij jonge leeftijd en maakt plaats voor een nieuwe kandidaat, in de persoon van Louis Marie de Laat de Kanter.
In feite is de benoeming te Leiden van Van den Brandeler in strijd met de (gemeente)wet: ‘Niemand is tot burgemeester benoembaar, dan die Nederlander, die in het volle genot der burgerlijke en burgerschapsregten is, den ouderdom van vijfentwintig jaren heeft vervuld en...’ - en nu komt het – ‘ingezetene is der gemeente’. Van den Brandeler is geen Leids ingezetene. Het heeft de eigengereide Thorbecke er niet van weerhouden Van den Brandeler alsnog te benaderen.

Plotselinge omslag
Nu is Van den Brandeler een begrip in Leiden als het gaat om haar oud-burgemeesters. Eigenlijk ligt het helemaal niet in de lijn der verwachting dat Van den Brandeler op het pluche belandt. Na zijn voorbereidende studie aan de Latijnse School schrijft hij zich in aan de universiteit van Leiden om zich te bekwamen in de medicijnen. Hij volgt de colleges van onder andere Jan van der Hoeven. In 1842 promoveert hij en begint een praktijk in zijn geboortestad Dordrecht. Als beoogd opvolger van zijn vader weet hij de praktijk tot grote bloei te brengen en weet hij zich binnen korte tijd zeer geliefd te maken.
Als donderslag bij heldere hemel gaat het roer totaal om als hem de functie van burgemeester te Molenaarsgraaf aangeboden wordt. Anders dan dat hij zich geprofileerd moet hebben in verschillende commissies is het niet duidelijk waarom hij voor deze ommezwaai kiest. Feit is dat hij weldegelijk over bestuurlijke kwaliteiten heeft beschikt, anders is deze overstap moeilijk te verklaren.

Tegelijk met de overstap naar het administratieve bestaan treedt hij in dat jaar ook in het huwelijk met Isabella Cornelia gravinne van Hogendorp. Het stel krijgt twee kinderen. Op zijn voorzitterszetel wordt hij gezien als een kundig en gedegen bestuurder, zijn persoonlijkheid straalt rust en gedrevenheid uit. Hoewel een aanvaring met professor Buijs, die hem beticht van laksheid, stroperigheid en onwil, in wat waarschijnlijk een universitaire kwestie is, het tegendeel zou kunnen beweren. Maar ondanks de felle woordenstrijd blijken de persoonlijke verhoudingen prima te zijn. Van den Brandeler onderneemt zelfs een serieuze poging Buijs in de gemeenteraad te krijgen (wat overigens niet is gelukt). In 1874 volgt de benoeming tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw (bijzondere verdiensten van zeer exceptionele aard voor de samenleving). Tastbaar bewijs van zijn aanwezigheid in Leiden is de HBS voor meisjes aan de Garenmarkt. Een jaar voor zijn dood heeft hij de handtekening onder de oprichtingsakte gezet.

Willem Cornelis van den Brandeler is op 24 oktober 1817 te Dordrecht geboren. Telg uit een vooraanstaand adellijk geslacht. Zoon van arts Dr. Martinus van den Brandeler en Wilhelmina Cornelia van Oldenborgh. Na een relatief kort leven overlijdt hij te Leiden op 5 mei 1880. Zijn stoffelijk overschot is bijgezet in het familiegraf op de openbare begraafplaats Essenhof te Dordrecht. Zijn 24 jaar later gestorven vrouw heeft zich in 1904 bij hem gevoegd.

Bronnen:
Wikipedia.
DBNL, jaarboek mij. der Ned. Letterkunde, GDJ Schotel.
Jaarboek ver. Oud Leiden: tien burgemeesters, JP Duyverman.
Het Leidse pluche, Jan van Hout stichting.