• Colenbranderstraat
  • Colenbranderstraat
  • Colenbranderstraat

Colenbranderstraat

Professor Herman Theodoor Colenbrande, hoogleraar in de vaderlandse geschiedenis
Door Hans Elstgeest

Tegenwoordig heet het fraude of plagiaat. Academici die bedoeld of onbedoeld citeren uit andermans werk zonder daarbij de bron(nen) te noemen. Enkele studenten hebben zich hier laatst nog schuldig aan gemaakt. Ook een Leids hoogleraar werd er enkele jaren geleden van beschuldigd. Toen heette het plagiaat. Deze ‘misstappen’ zijn echter niet van de laatste tijd. Ook één van onze vernoemde professoren heeft zijn vingers gebrand aan een dergelijk vergrijp: de in Drachten geboren (13-12-1871) Herman Theodoor Colenbrander.

Wat was het geval: begin 1933 verschijnt in ‘De Gids’ - waar Colenbrander sinds 1906 redacteur is - een artikel van hem ter gelegenheid van de herdenking van de geboortedag van Willem van Oranje (1533- 1584). Colenbrander heeft daarvoor diverse bronnen gebruikt. Eén van die bronnen is ‘Histoire de Belgique’ van Henri Pirenne. Professor Pieter Geyl, die blijkbaar specialist in deze tijd (16de eeuw) is, vindt grote stukken tekst in dat artikel die ‘schaamteloos overgeschreven’ zijn. Colenbrander houdt op 6 januari 1933 een herdenkingsrede die voor een groot deel op dit artikel berust. Enkele dagen later wordt Colenbrander beschuldigd van plagiaat. Nader onderzoek door de universiteit leidt tot de conclusie dat niet in zijn uitgesproken rede, maar wel in het artikel onrechtmatig gebruik heeft gemaakt van bronnen.
Op 13 januari 1933 wordt Colenbrander ‘op het matje’ geroepen bij Rectormagnificus Johan Huizinga. Huizinga wil Colenbrander duidelijk maken dat hij uit dit voorval zelf de consequenties moet trekken. Hij vindt dat het beter is dat Colenbrander zijn ambt neerlegt, zijn redacteurschap van De Gids beëindigt en zich uit de wetenschappelijke wereld terugtrekt. Colenbrander reageert daarop nogal laconiek waardoor hun vriendschappelijke verstandhouding behoorlijk beschadigd raakt.

Terugkijkend op Colenbranders ‘pijnlijke vergissing’ blijkt deze grotendeels te wijten aan overbelasting. Hij was met van alles en nog wat bezig om zijn gezin in deze jaren van crisis te onderhouden; een levensbeschrijving van Jan Pietersz. Coen en een tweedelige biografie over Koning Willem I en nog wat kleinere projecten.
Colenbrander is nooit officieel bestraft voor deze affaire en is als hoogleraar aangebleven. Uiteindelijk kwam in 1940 aan het hoogleraarschap een einde toen de Universiteit door de bezetter werd gesloten. In 1941 zegt hij het redactielidmaatschap van De Gids op.

Zelf zegt Colenbrander over de plagiaat affaire: “Het was nooit de bedoeling geweest mezelf er gemakkelijk vanaf te maken en het risico te lopen mijn naam te grabbel te gooien.”
Dat klopt ook wel, want deze gebeurtenis geeft een totaal verkeerd beeld van de persoon Colenbrander die net als zijn tijdgenoten op hoog niveau presteert. Hij is van 1918 tot 1925 hoogleraar in de geschiedenis van ‘Nederlands Indië’. Daarna hoogleraar in de vaderlandse geschiedenis (tot 1940). En als Colenbrander in 1945 overlijdt laat hij een schat aan werk na.

Herman Theodoor Colenbrander (Herman) studeert letteren aan de Leidse Universiteit. Hij studeert vrijwel gelijktijdig vaderlandse geschiedenis bij R. Fruin én algemene geschiedenis bij P.L. Muller. Colenbrander had graag willen promoveren bij Fruin, maar die was in 1894 met emeritaat gegaan en zijn leerstoel overgedragen aan P.J. Blok Dus mocht Colenbrander in 1895 zijn dissertatie bij hem komen verdedigen. Zijn proefschrift zou hij later bijwerken tot een driedelig werk, handelend over de ‘Patriottentijd 1766 - 1787’. Na zijn studie wordt Colenbrander in 1897 benoemd tot adjunct-rijksarchivaris bij het Rijksarchief in Den Haag.
Op 1 oktober 1900 treedt hij in het huwelijk met Maria Theresia Hering. Uit dit huwelijk worden vier dochters en twee zonen geboren.

In 1908 wordt Colenbrander benoemd tot lid van de Koninklijke Academie van Wetenschappen. In 1910 volgt de benoeming tot directeur van het Bureau voor Geschiedkundige Publicatiën en wordt hij door de Juridische Faculteit in Leiden toegelaten als privaat-docent, wat in 1917 tot een lectoraat leidt tot hij in 1918 hoogleraar wordt. Hij gaat de geschiedenis van Nederlands-Indië doceren in Leiden om in 1925 het onderwijs aan de Indologen weer te verlaten om zijn promotor van 1895, P.J. Blok, op te volgen als hoogleraar in de vaderlandse geschiedenis. Van Colenbrander wordt wel gezegd dat hij niet geboren is om de toehoorders aan zijn lippen te laten hangen. Toch werden zijn colleges druk bezocht.

Na alle trammelant in 1933 ging Colenbranders gezondheid zienderogen achteruit en moest hij diverse nevenfuncties naast zich neer leggen. Op 6 november 1940 neemt hij afscheid als hoogleraar als gevolg van de eerder genoemde bezetterskwestie. Colenbrander zou worden vervangen door een nazi. Dat dit uiteindelijk niet gebeurde is mede te danken aan het verzet tijdens de oorlogsjaren van het universiteitspersoneel. Ook Colenbrander heeft daar een bescheiden rol in gespeeld. In deze moeilijke jaren bloeit de oude vriend- schap met onder andere Huizinga ook weer op. Colenbrander kan dan nog net getuige zijn van de bevrijding van Nederland.
Enkele maanden later, op 8 oktober 1945, overlijdt hij, op 73 jarige leeftijd.