• De Appelboom
  • De Appelboom

De Appelboom

door Rinny Kooi


Men plukt en gretig slaan de trage tanden
Zich in uw blanke sappig knappend vleesch

Uit: de Appelboom door Willem de Mèrode (1887- 1939)


Niet alle appels zijn om in te bijten. Als we aan een Appelboom denken is het vaak net als bij Willem de Mèrode aan een boom waaraan heerlijke vruchten komen. Maar toch is het niet waar alle appels ‘om in te bijten’ zijn. De appels van bijvoorbeeld de boom voor Roomburgerlaan 79 zijn niet om te eten. In het najaar kleuren zijn vruchten wel prachtig goudgeel-rood en ze dagen de mensen daarmee uit om er gretig hun tanden in te zetten. Die gretigheid wordt dan echter beloond met een zure (na)smaak. Volgens mij is er geen appelsoort waarvan de vruchten mooier zijn dan van deze boom (zie figuur). Door hun grootte, 2-3 cm, worden ze niet snel geplukt. Daarnaast hebben ze ook een relatief groot klokhuis wat een extra reden is om die appels niet te eten.

In onze wijk groeien veel meer Appelbomen dan de meeste mensen weten. Zo staan ze bijvoorbeeld (voor iedereen zichtbaar) in de groenstrook tegenover de Van de Brandelerkade in de tuinen van de Van ’t Hofstraat 22, van de Uhlenbeckkade 7, van de De Laat de Kanterstraat 6, in de groenstrook van de Zeemanlaan en aangeplant in de Wasstraat en de Van der Waalsstraat. Daarnaast zijn er ook bomen aangeplant in achtertuinen (bijvoorbeeld in die van de auteur van dit artikel) die niet (of minder goed) zichtbaar zijn vanaf de straat. Soms hebben de appels de grootte van een kers en lijken ze daar ook op. Dat geldt bijvoorbeeld voor de appels aan de boom in de tuin van Burggravenlaan 4. Als men goed kijkt ziet men dat het geen kersen zijn maar appels want ze hebben een neusje. Er groeien in onze wijk ook appels waarin men wel graag overeenkomstig de woorden van Willem de Mèrode de tanden zet. Ik noem als voorbeeld de prachtige appels die zich in de boom in de voortuin van Wasstraat 47 ontwikkelen. Aan die boom is ook iets bijzonders te zien. De eigenaar past vormsnoei toe: de takken worden geleid zodat daar op termijn een mooie ‘leiappel’ ontstaat. Dat is een goed idee voor iemand met een kleine tuin die graag een Appelboom wil hebben. Appelboom behoort binnen de familie der Rosaceae tot de subfamilie Pomoideae en binnen die familie tot het geslacht Malus. De gekweekte soort Malus domestica Borkh. is door selectie voortgekomen uit de wilde soortgenoot Malus sylvestris Mill. Mede door kunstmatige selectie zijn er nu heel veel soorten Appelbomen. Enerzijds worden die bomen gekweekt om de vrucht te eten, anderzijds om te dienen als sierappel of - vanwege de bloesem - om de omgeving op te fleuren. Doordat er heel verschillende kweekvormen zijn aangeplant is er in onze wijk een hele mooie verzameling Appelbomen.

Al in geschriften van Romeinen en Grieken wordt geschreven over het gebruik van de appel in de fruitcultuur. De Romeinen hebben de fruitcultuur over grote delen van Europa verspreid. Zouden ze tijdens hun verblijf bij Roomburg ook Appelbomen hebben aangeplant? De wilde appel groeit in bijna heel Europa noordwaarts tot Midden-Scandinavië maar ook zuid-oostwaarts tot in het aangrenzende Zuid-west Azië. De in ons land in het wild groeiende Appelbomen zijn overgangsvormen tussen de gekweekte vorm en de wilde soortgenoot. De laatste vormt veelal kleine - tot 3 cm grote - harde ‘oneetbare’ appeltjes. Min of meer in natuurlijke vorm is de appel bekend van het Zalkerbos bij Zwolle (al sinds de 17e eeuw), uit het heuvelgebied bij Nijmegen en het daarbij aansluitende deel van het Maasdal en voorts op een enkele plek in Drenthe (bron:

oecologische flora door E.J. Weeda et al.). Het zal niemand verwonderen dat er ook veel ‘wilde’ Appelbomen zijn ontstaan uit weggegooide klokhuizen.

De onderkant van het eironde blad is bij de gekweekte vorm en bij de wilde appel veelal viltig behaard. Ook de kelk is behaard. De wilde vorm verliest deze beharing meestal al snel. De bladeren zijn ongelijk gezaagd en de bladrand is naar beneden iets omgekruld. De nerven springen van onderen uit. De roze of witte bloemen staan in een schermvormige tros en hebben een doorsnede van 2-4 cm; de helmknoppen zijn geel. De wilde vorm heeft vaak ook doorns op de takken; bij de gecultiveerde vorm zijn die doorns meestal weggeselecteerd. Veel gekweekte Appelbomen zijn geënt uit wilde soortgenoten omdat de wilde onderstam beter tegen strenge winters bestand is. Heel erg oud worden Appelbomen niet. Een hele oude - meer dan 100 jaar oud - staat bij Weerselo. Af en toe zitten er nog vruchten aan die boom.

Appelhout en appels worden voor van alles gebruikt. Het hout wordt bijvoorbeeld gebruikt voor siersnijwerk, tanden in kamraderen, houten schroeven, knoppen en grepen, meubels enz. En ook voor brandhout. Uit de wortels kan een stof worden gewonnen om wol geel te verven. Dat appels verwerkt worden tot cider, appelsap, appelstroop en appeltaart weet iedereen. Hoewel veel kleine appeltjes niet goed eetbaar zijn kan men er wel iets anders mee doen. De liefhebber kan er heerlijke jam van koken of er andere lekkere dingen van maken zoals gelei of wijn. De kleine appeltjes kunnen wormstekig zijn (zie figuur), dus ook insecten lusten ze wel. Vroeger gebruikte men gegist sap van appels als geneesmiddel tegen brandwonden en verstuikingen.

In de mythologie, sagen en volksverhalen is de appel symbool voor allerlei begrippen, b.v. de appel als vrucht staat voor onsterfelijkheid en eeuwige jeugd. In het bijbelboek Genesis is de appel de vrucht van de boom des levens en van de boom van kennis van goed en kwaad. Het is overigens niet zeker of het in de Bijbel om een gewone appel gaat of om een granaatappel. Appelbomen komen thans weinig in Palestina voor en de vruchten zijn in verband met het klimaat niet mooi. Voor de intocht van het volk Israël - zoals in het bijbelboek Exodus is beschreven - schijnt de appel daar een algemene boom te zijn geweest.

Toen volgens de overleving aan de kerkhervormer Maarten Luther werd gevraagd: ‘Wat zou u doen als morgen de wereld zou vergaan?’ antwoordde hij: ‘Dan zou ik vandaag een Appelboom planten.’ Dat geeft iets aan van ‘geloven in de toekomst’. Geloven in de toekomst van het Roomburgerpark is dat wat velen in onze wijk doen. Tijdens de ledenvergadering van de wijkvereniging heb ik erop geattendeerd dat het Roomburgerpark op 17 september precies vijftig jaar bestaat. Ik stel daarom voor het ontstaan van het park te gedenken door begin november een Appelboom in het park te planten en daarbij cider of appelsap te drinken aangevuld met appeltaart en appels. En laten we dan bij die aangeplante boom net als Gaston van Camp (geb. 1939) in ‘Een boom’ wensen: ‘Ik leef, in mij leeft een boom van trage verbazing eeuwenlang voort.’