De treurwilg: een feestboom in het voorjaar
Ik had vergeten hoe het was
en dat de lente niet stil bloeien,
zacht droomen is, maar hevig groeien,
schoon hartstochtelijk beginnen,
opspringen uit een diepe slaap,
wegdansen zonder te bezinnen.
(M. Vasalis in “Voorjaar”)
De Treurwilg wordt in de literatuur vaak in verband gebracht
met verdriet. Het is een soort die op veel begraafplaatsen te
vinden is. Maar er kan ook anders tegenaan worden gekeken.
“Als de Treurwilg in maart geelgroen wordt van de jonge
blaadjes en katjes, is de lente echt begonnen. Dan is hij voor
veel mensen juist een feestwilg”. Dit staat in “Het bomenboek
voor kinderen” dat gemaakt is door Christa Carbo, Henk
Kneepkens en Dorothé Koolen (2003, uitgeverij Ploegsma in
samenwerking met de Bomenstichting). Als de Treurwilgen in
het voorjaar uitlopen lijken ze met hun prille groen – om met
Vasalis te spreken – weg te dansen uit hun winterslaap. Niks
geen treurigheid!!!
Deze feestelijke voorjaarsbomen groeien op diverse plaatsen
in onze wijk. Een mooie Treurwilg (Salix x sepucralis ‘chrysocoma’
Dode) staat op de hoek van het Professorenpad en de
Franchimontlaan.
Na de ijstijden behoorden de Wilgen tot de eerste verhoute
planten die zich in ons land vestigden. De eerste Wilgen waren
veelal lage kruipende soorten. Later kwamen ook andere soorten
ons land binnen. Er zijn wereldwijd zo’n tweehonderd
soorten Wilgen. Zij zijn heel moeilijk van elkaar te onderscheiden
omdat ze heel vaak onderling kruisen.
Toen de Watergeuzen in 1574 over het ondergelopen land met
hun schepen naar Leiden kwamen voeren ze door of langs
onze wijk door een landschap met diverse soorten bomen als
Populier, Wilg, Es en Els. Op hun tocht kwamen ze de Gele
treurwilg echter niet tegen! Die soort bestond toen nog niet.
Er zijn verschillende soorten Treurwilgen; hun herkomst is
vaak onduidelijk. Ze zijn ontstaan uit kruisingen tussen diverse
soorten Wilgen. In 1815 werd er voor het eerst over geschreven
in Frankrijk. De vaak aangeplante Gele treurwilg is in 1881 in
China ontstaan uit een kruising tussen Salix alba (Knotwilgen
behoren meestal tot deze soort) en Salix babylonica. In 1864 was
deze kruising ook al uitgevoerd waaruit een soortgelijke Wilg
(type ‘salamonii’) was ontstaan. Dat type was echter gevoeliger
voor ziektes dan het product dat in 1881 was ontstaan en werd
derhalve na 1881 snel door de laatste vervangen. Dichtbij de
Gele treurwilg aan het Professorenpad (zie afbeelding) staan
enkele kronkelwilgen. Ook deze soort betreft een kweekvorm
die voortgekomen is uit Salix babylonica
Wilgen worden door allerlei insecten aangetast. Een hele bekende
is de Wilgenhoutrups (Cossus cossus L.). Deze rups kan
met 8 tot 10 cm lengte de langste soort in Nederland worden
en heeft soms meer dan drie jaar nodig voor zijn ontwikkeling.
De rups is vleeskleurig, heeft een purperrood vlekkenpatroon
op de rug, is tamelijk kaal en ruikt naar houtazijn. Deze rups
graaft grote gangen in het hout van wilgen en andere bomen,
zoals Populieren.
Als een Wilg wordt aangetast kan de vraat
het einde van de boom betekenen. Tot enkele jaren geleden
stond er een zeer mooie grote Treurwilg in de tuin van de notariswoning
op de hoek van de De Laat de Kanterstraat en de
Zoeterwoudsesingel. Toen er sprake van was dat die boom zou
moeten worden gekapt heb ik geconstateerd dat ook in de
stam van die boom gangen zaten van de Wilgenhoutrups. De
boom werd gevaarlijk en moest weg. Ik hoop dat er weer een
Gele treurwilg wordt aangeplant op die plaats. Het lijkt erop
dat ook in de hier afgebeelde boom een lichte aantasting zit
van deze rups (zie de gaatjes in de foto van de schors). De
boom ziet er gelukkig gezond uit en kan mijns inziens nog
heel wat jaren mee.
Het uitbotten van de Gele treurwilg is, zoals ik heb geschreven,
een feestelijk gezicht. Tegelijk met de jonge bladeren komen
de katjes te voorschijn. Volgens de literatuur zitten er in
april katjes in de bomen. In februari van dit jaar waren al de
eerste jonge bladeren met daartussen de zich ontwikkelende
katjes zichtbaar. Het vroege tijdstip zal met het zachte weer te
maken hebben. De eerste bladeren beschermen als het ware
het jonge katje. Ze verdorren zeer snel en vallen af. Later komen
er andere bladeren aan de boom. De katjes kunnen 7 cm
lang worden. Vaak bevatten ze enkel mannelijke bloemen;
soms ook vrouwelijke.
De lichtgroene bladeren van de Gele treurwilg zijn behaard en
blijven in de herfst relatief lang aan de boom hangen; de takken
en twijgen zijn schitterend geel van kleur, vandaar ook de
naam Gele treurwilg. De snel groeiende boom kan 20 meter
hoog worden.
Overal ter wereld – behalve in Australie – kan men Wilgen vinden;
deze soort heeft dit continent waarschijnlijk niet bereikt.
Wilgen groeien vooral op vochtige standplaatsen en hebben
veel licht nodig. Als ze met andere soorten bomen moeten
concurreren verliezen ze vaak omdat ze dan niet genoeg licht
krijgen.
Wilt u een treurwilg in uw tuin hebben? Het is helemaal niet
moeilijk om aan een exemplaar te komen. Pluk een lange twijg
en steek die in de grond. U hebt dan een grote kans dat zich
daaruit een gezonde boom ontwikkelt. En omdat Wilgen snel
groeien zal de boom ook snel groot worden.
Wilgen worden voor veel doeleinden gebruikt. Ze bevatten
bijvoorbeeld salicine. Een afkooksel van de schors (met daarin
salicine) kan een middel tegen koorts en griep leveren; het
kan ook worden gebruikt tegen malaria. Salicine zit in aspirine.
Het hout van de Gele treurwilg is gemakkelijk te bewerken
omdat het niet splijt en splintert. Toch wordt het bijna niet
gebruikt. Uit de wortels kan een blauwachtig-rode kleurstof
worden gewonnen die voor diverse doeleinden kan worden
gebruikt. De Gele treurwilg is vooral een sierboom en is volgens
mij het hele jaar mooi, en niet alleen in het voorjaar.
Laten we daarom met Guido Gezelle zeggen:
‘…..Blijf nog lange , o oude bonke,
Staan daar, van den wilgenstronke,
Staan en, bij den waterboord,
Dragen jonghout immer voort…’
Boomtreurigheid.
Nauwelijks lag de eerste wijkkrant van dit jaar bij de drukker of een zware storm velde de Treurwilg die in deze editie in de
rubriek “Boom in de Buurt “wordt besproken (zie afbeelding) De wens van Guido Gezelle, waarmee de column werd beëeindigd
“Blijf nog lange , o oude bonke, Staan daar, van den wilgenstronke”, is dus niet in vervulling gegaan. Ik schreef dat de boom
een gezonde indruk maakte. Tegen zware stormen zijn ook gezonde bomen niet altijd bestand, blijkt nu.
Wilgen en Populieren behoren tot de plantenfamilie Salicaceae. Niet kort voor deze storm was in dezelfde omgeving een
Italiaanse populier, dus een familielid, ook door een storm geveld.
De allereerste boom die in de rubriek “Boom in de Buurt” werd besproken (augustus 1997) was ook een Italiaanse populier, één van
de “brugwachters” van de Lorentzbrug bij de Zeemanlaan, aangeplant in 1934. Op 28 mei 2000 is ook deze door een storm geveld. Ik
hoop dat de andere bomen die aan de beurt zijn geweest of nog volgen na de bespreking heel wat langer in onze buurt aanwezig zullen blijven.
Wilgen en Populieren groeien snel; daardoor is hun hout relatief zacht. In het algemeen worden deze bomen niet oud. Het valt mij
steeds weer op dat na zware stormen onder deze bomen vaak veel takken liggen, losgerukt door de kracht van de wind. Dat oudere Wilgen en
Populieren na een zware storm tegen de vlakte gaan is dus niet verwonderlijk. Aan de Wasstraat heeft men – om dit te voorkomen - de
Italiaanse Populieren ingekort.
Een vroegere storm had voor mij een aardige bijkomstigheid. In december 2003 besprak ik in de wijkkrant de Apentreiteraar. Aan de
kegels van die boom kan je zien of je met een vrouwelijke of een mannelijke boom te maken hebt. Ik schreef toen dat ik het heel leuk zou
vinden als er in de verre toekomst ook bloeiende exemplaren van die soort in onze wijk te zien zouden zijn. Aan mijn wens is inmiddels
voldaan. Een maand na het verschijnen van die buurtkrant, na een storm, zag ik onder de Apentreiteraar in de tuin van het hoekhuis van
de Zoeterwoudsesingel/Thorbeckestraat kegels van een mannetje liggen. Die boom is dus zo oud dat hij kan bloeien.
Wat Treurwilgen betreft, er groeien in onze wijk nog meer mooie exemplaren, b.v. op de hoek van het Professorenpad en de Lorentzkade.
Als men bij die wilg rondkijkt kan men zien dat aan de overzijde van de Lorentzkade een relatief jong exemplaar groeit.
De omgewaaide boom moeten we missen. Laat mijn column in de wijkkrant 28 daarom tegelijk een “in memoriam” zijn voor deze boom.
Rinny E. Kooi
Foto’s Jos Versteegen, tekening Rinny Kooi
|  |