Professor Hugo Maria de Vries
(1848 – 1935)
Hugo Maria de Vries – geboren in Haarlem op 16 februari 1848
– is zoon van Mr. dr. Gerrit de Vries en Maria Everdina Reuvens
dochter van de hoogleraar archeologie C.J.C. Reuvens). Op de
lagere school begint hij al met het verzamelen van plantensoorten
en als hij twaalf jaar is krijgt hij een eervolle vermelding
voor een herbarium, een collectie van ca. honderd
gedroogde planten die hij in zijn woonomgeving had verzameld.
De Vries bleek de gave te bezitten om een verzameling
bij elkaar te brengen die zich onderscheidde in minutieuze
kenmerken.
Hugo, twintig jaar inmiddels, stort zich op de experimentele
plantkunde te Leiden. De Vries loopt colleges bij W.F.R. Suringar.
De Vries was een experimenteel onderzoeker en de faciliteiten
in Leiden waren daar niet echt op berekend. De Vries
deed daarom veel experimenteel werk thuis. Hij had affiniteit
met de theorieën van Darwin, iets waar de Leidse hoogleraren
Suringar en vooral Van der Hoeven niets van wilden weten. In
zijn proefschrift, verdedigd op 6 oktober 1870, laat hij zijn interesse
in het Darwinisme nogmaals blijken. Na zijn promotie
vertrekt hij met bestemming Heidelberg om zich verder te bekwamen.
Hij onderzoekt daar plantencellen op doorlaatbaarheid
voor in water oplosbare stoffen (osmose).
Amsterdam
Terug in Nederland moet De Vries in 1872 noodgedwongen
een baan als leraar aan een Amsterdamse HBS aanvaarden.
Alle vakanties worden voor onderzoek gebruikt. Uiteindelijk
kan hij dat niet meer opbrengen, de combinatie van intensief
onderzoek en zijn taak als leraar zijn slopend en hij beëindigt
zijn baan als leraar. De Vries wordt door de universiteit van
Halle (D) uitgenodigd een leerstoel als privaat-docent te gaan
bekleden. Deze baan blijkt al snel geen succes en als in 1878
de universiteit van Amsterdam hem een lectoraat in de plantenfysiologie
aanbiedt laat hij er geen gras over groeien en
neemt direct het aanbod aan. Op 15 oktober 1878 bestijgt hij
officieel deze leerstoel als buitengewoon hoogleraar. Tot een
van zijn collega’s in Amsterdam behoort J.H. van ‘t Hoff. Hun
samenwerking op chemisch en plantfysiologisch gebied werpt
vruchten af met betrekking tot de verklaring van osmotische
verschijnselen in deze wetenschappen. Ook gaat De Vries zich
in Amsterdam toeleggen op erfelijkheid en evolutie. De Vries
vond, met de theorieën van Darwin als leidraad, dat erfelijkheid
bepaald werd door zgn. ‘pangenen’, die zich in een celkern
bevinden en alle erfelijke factoren met zich mee dragen.
Mendel, Lamarck en Darwin
Toen De Vries zijn mutatietheorie opstelde kwam hij tijdens
zijn onderzoeken regelmatig de naam van Gregor Mendel
(1822 – 1884) tegen. Deze Oostenrijkse monnik had het fenomeen
overerving ontdekt, wat inhield dat een groot aantal eigenschappen
van één generatie overgaan naar een volgende.
Hier ontstonden de begrippen ‘dominant’ en ‘recessief’. Voor
Mendel was de Fransman Jean Baptiste Lamarck (1744 – 1829)
van groot belang geweest. Lamarck, die de term ‘biologie’ introduceerde,
had duidelijk onderscheid weten te maken tussen
gewervelde en ongewervelde dieren. Eenmaal verworven
kenmerken zouden volgens kunnen overerven en niet meer uit
een bepaald ras verdwijnen. Dat dit inzicht niet juist was heeft
geen afbreuk gedaan aan het feit dat met name Darwin uit
Lamarcks werken veel inspiratie putte.
Teunisbloemen
Charles Darwin (1809 – 1882) beweerde dat alle vormen van
het huidige leven voortgekomen zijn uit lagere levensvormen
en in vele richtingen variëren. Het recht van de sterkste bepaalt
dat de sterkste soorten zullen overleven en zich voort zullen
planten ten koste van de zwakkere soorten. Uiteindelijk
zullen daar betere en grotere variëteiten uit ontstaan. De Vries
ontdekte spontane veranderingen in het erfelijk materiaal.
Deze sprongsgewijze veranderingen zouden zich in opvolgende
generaties openbaren. De Vries noemde dit verschijnsel
Mutatie. Onderzoek op het gebied van erfelijke veranderingen
krijgt een extra impuls als hij een grote hoeveelheid teunisbloemen
aantreft waaronder zich een aantal afwijkende
(kleur) exemplaren bevindt. Daar deze theorieën elkaar in eerste
instantie bestreden, bleek door nieuwe invalshoeken in de
moderne biologie dat deze theorieën elkaar juist ondersteunden,
aanvulden of zelfs bewezen. De vele hypothesen en theorieën
zijn later verenigd in één grote alomvattende theorie,
waarin het aandeel van Darwin het grootst is. Wat voorzichtig
begon is na een eeuw uitgegroeid tot een volwaardige en volwassen
wetenschap. Het menselijk genoom is inmiddels ontrafeld,
gentherapieën worden op steeds grotere schaal
toegepast en grote geldbedragen worden in research naar genetische
manipulatie, modificatie en klonen gestopt.
Naar Lunteren
In 1910 bieden de universiteiten van Leiden en Utrecht De Vries
een leerstoel aan. Ook buitenlandse universiteiten zoals Wurzburg,
Berlijn en New York (waar hij Head of Department van
de Columbia University kon worden) willen De Vries hebben,
maar hij blijft Amsterdam trouw. In Amsterdam is men blij
met deze beslissing en er wordt voor hem een nieuw laboratorium
en een schitterende palmenkas gebouwd. Ook mag hij
zijn onderwijstaak neerleggen. Na zijn emeritaat verdwijnt
De Vries met zijn vrouw Elisabeth Louise Egeling, met wie hij
op 10 april 1879 was getrouwd, naar Lunteren. Tot het einde
van zijn leven bleef hij daar op zijn stuk grond zijn experimenten
doen. In deze tijd had hij intensief contact met
M.W. Beijerinck.
Op 21 mei 1935 om half twee in de middag komt er na een
zeer kort ziekbed op 87 jarige leeftijd een einde aan het
aardse bestaan van Hugo Maria de Vries. Hij wordt in Lunteren
begraven. De burgemeester beschouwde het als een eer,
dat deze grote geleerde in zijn kleine gemeenschap zijn
laatste jaren wilde doorbrengen en er uiteindelijk begraven
wilde worden.
Hans Elsgeest
|  |