Professor Jacobus Cornelius Kapteyn
Jacobus Cornelius Kapteyn werd op 19 januari 1851 geboren
in Barneveld. Hij was hoogleraar in de sterrenkunde en theoretische
mechanica te Groningen van 1877 tot 1921. Niet lang na zijn pensionering, op 18 juni 1922, overleed
hij te Amsterdam.
Kapteyn wordt beschouwd als Neerlands
grootste astronoom, die de beroemde theorieën van de Poolse
astronoom Copernicus verder tot ontwikkeling bracht. Jacobus
Cornelius Kapteyn was het negende kind van wat een gezin
van 15 kinderen zou worden.Hij ging naar de kostschool waar
zijn vader directeur was en zo kwam hij dag en nacht onder
curatele van pa te staan. Op school en thuis heerste strenge
discipline. Dat resulteerde erin dat hij erg in zichzelf gekeerd
was en hij zo goed als geen vriendjes had. Wel bezat hij een
hoge mate van intelligentie en had hij veel belangstelling voor
de natuurwetenschappen. Hij rondde zijn schooltijd dan ook
zonder veel moeite af.
Als hij in 1867 slaagt voor het toelatingsexamen voor de Universiteit
van Utrecht komt er spoedig een einde aan zijn eenzaamheid.
Zijn vader vond hem evenwel nog te jong maar een
jaar later, hij was toen 17, mocht hij zijn studie wis- en natuurkunde
gaan beginnen.In 1868 vertrok hij naar Utrecht, alwaar
onder meer prof. Buys Ballot tot een van zijn leermeesters behoorde.
Hij voegde zich bij twee van zijn broers die al op deze
universiteit waren en daar een studie volgden.
In Utrecht ontmoet hij ook zijn toekomstige vrouw Elise Kalshoven
(zij huwden elkaar op 17 juli 1879). Hij sluit zijn studie
af als hij op 24 juni 1875 promoveert tot doctor in de wis- en
natuurkunde. Er werd min of meer van hem verwacht dat hij
zich op een leraarsambt zou gaan toeleggen. Maar het lot besliste
dat Kapteyn vlak na zijn promotie observator (waarnemer)
aan de sterrenwacht te Leiden wordt. Hij maakt daar een
zeer goede indruk maakt prof. H. G. van de Sande Bakhuyzen,
directeur van de sterrenwacht en hoogleraar in Leiden. Na
twee jaar in Leiden wordt hij benoemd tot hoogleraar aan de
Universiteit van Groningen.
Sterstromen
In zijn werk staat hij aan de vooravond van een glansrijke loopbaan.
Ook al beschikte hij in Groningen niet over een sterrenwacht
om zijn waarnemingen te doen, de sterrenwacht van
Leiden was altijd beschikbaar. Kapteyn spande zich in om in
Groningen een sterrenwacht van de grond te krijgen, maar hij
stuitte op weerstand van de universiteiten van Utrecht en Leiden.
Bovendien stelde Groningen geen geld beschikbaar. Wel
krijgt hij in Groningen de beschikking over een sterrenkundig
laboratorium dat later zijn naam zou dragen.
Tussen 1896 en 1900 wordt het uit drie delen bestaande werk
over ‘The Cape Photographic Durchmusterung’ uitgegeven.
Samen met David Gill, directeur van de sterrenwacht in Kaapstad,
meette Kapteyn 455.000 sterren op helderheid en hun
posities in de zuidelijke hemel. Het wordt nog steeds als een
belangrijk naslagwerk gebruik. Als waardering voor dit werk
werd hij tot lid van de Royal Astronomical Society benoemd.
In 1902 ontdekt Kapteyn de sterstromen. Dit betekent dat sterren
niet willekeurig door elkaar bewegen, zoals men altijd gedacht
had, maar dat zij een voorkeur voor twee tegengestelde
richtingen hebben.
In 1906 startte hij een nieuw project, bekend onder de naam
‘Plan of Selected Areas’. Dertig sterrenwachten vanuit de hele
wereld leverden hier hun medewerking aan. De sterrenhemel
werd opgedeeld in 206 gelijke gebieden. Omdat Kapteyn zelf
niet de beschikking had over fotografische kijkers werden hem
de foto’s vanuit al de meewerkende sterrenwachten toegezonden.
Voor alle aanwezige sterren binnen zo’n afgebakend gebied
werden de gegevens, zoals de helderheid, de eigen beweging,
afstand, snelheid en kleurenspectrum gemeten en
gecatalogiseerd.
Melkwegstelsel
In 1908 wordt hij door Leiden gevraagd de plaats van Van de
Sande Bakhuyzen over te nemen als deze de pensioengerechtigde
leeftijd heeft bereikt en aftreedt als hoogleraar. Kapteyn
weigerde dit, maar er werd wel een leerling van Kapteyn, namelijk
Willem de Sitter benoemd op deze plaats.Tegen het einde
van zijn loopbaan krijgt zijn onderzoek naar de (volgens
Kapteyn voorlopige) structuur van het Melkwegstelsel gestalte.
Volgens Kapteyn had het Melkwegstelsel de vorm van een
schijf, met een diameter van 60.000 lichtjaar (een lichtjaar =
9460 miljard kilometer) en een dikte van ongeveer 10.000
lichtjaar. De zon staat dichtbij het centrum van het Melkwegstelsel,
waar ook de dichtheid van sterren het grootste is. Het
aantal sterren binnen het stelsel schatte
hij op 47 miljard. Dit was het eerste betrouwbare
model van ons Melkwegstelsel.
In Kapteyns werk zijn vele nieuwe begrippen
naar voren gekomen zoals kleurindex
of absolute magnitude (maat voor
helderheid van een ster). Kapteyn stond
aan de wieg van de ingrijpende veranderingen
in de astronomie, zoals helderheidbepalingen
met fotografische methoden.
Veel van zijn bevindingen zijn
inmiddels wel achterhaald door het gebruik
van geavanceerdere middelen
Op 18 juni 1922, net een jaar met pensioen, overleed hij te Amsterdam.
Zijn stoffelijk overschot werd in alle stilte op Westerveld
ter aarde besteld.
Een jaar daarvoor was er op de Leidse sterrenwacht een adjunct
directeurschap vrijgekomen. Besloten werd deze functie
als tijdelijk en gedeeltelijk aan Kapteyn toe te vertrouwen.
Hiervoor diende hij slechts af en toe zijn gezicht te laten zien
en had hij de leiding over de observaties
met de meridiaankijker. Hier eindigde Kapteyns sterrenkundige
loopbaan waar hij begonnen was; bij de Leidse Sterrenwacht.
|  |