De professor
Derkje Suringa
Derkje Suringa werd als dochter van Johannes Dirk
Suringa en Jantien Hilbrants in Groningen geboren op
25 maart 1889, zij ging na de lagere school naar het
Gronings gymnasium. Ze trouwde op 21 juli 1910 met
Dr. Cornelis Hazewinkel.
Na haar huwelijk met Hazewinkel, die leraar geschiedenis en
Nederlands aan het Amsterdamse Barlaeus gymnasium was,
zorgde zij voor de kinderen: twee zoons en een dochter. Toen
de kinderen wat groter en zelfstandiger werden ging Derkje in
de jaren twintig rechten studeren aan de Amsterdamse Universiteit
en slaagde zonder veel moeite voor alle examens. Na
haar doctoraalexamen werd ze medewerkster van Paul Scholten.
Ook was zij tussen 1923 en 1930 als assistente aan de AU
verbonden, eerst voor Romeins recht, tot 1926,
later voor Burgerlijk Recht en Burgerlijke Rechtsvordering
tot 1930.
Op 19 juni 1931 promoveerde zij cum laude op het proefschrift
‘Mancipatio et traditio’, een dissertatie over de eigendomsoverdracht
in het Romeins recht. Na haar promotie besloot de
Amsterdamse faculteit de eerste de beste leerstoel die openviel
door haar te laten bekleden. Toen Van Dijck was overleden
in 1932 werd haar de leerstoel voor het strafrecht toegewezen.
Zij was daarmee tegelijkertijd de eerste vrouwelijke juridisch
hoogleraar in ons land.
De allereerste vrouwelijke hoogleraar in Nederland werd op
14 maart 1917 geïnstalleerd. In de Stevenshof is naar haar een
straat vernoemd. Deze eerste vrouwelijke professor heette
Johanna Westerdijk, zij was fytopathologe (Fytopathologie =
plantenziektenkunde) Zij werd geboren in 1883 in Nieuwer-
Amstel, Amstelveen. Ze groeide op in een intellectueel en
kunstzinnig milieu en bezocht de HBS voor meisjes te
Amsterdam. Later, na het behalen van de K- IV akte vertrok ze
naar München om o.a. onderzoek naar levermossen te doen.
Bij prof. H. Schinz te Zürich promoveerde ze in 1906. In datzelfde
jaar vond haar benoeming plaats tot directeur van het
‘Phytopathologisch Laboratorium Willie Commelin Scholten’.
Een jaar later werd het Bureau voor Schimmelcultures in hetzelfde
laboratorium ondergebracht. Die collectie groeide snel
tot zo’n 11.000 soorten en daarmee was de grootste schimmelcollectie
ter wereld ontstaan.In 1917 vond de benoeming
plaats tot buitengewoon hoogleraar in de fytopathologie aan
de Rijksuniversiteit van Utrecht. In 1952 legde Westerdijk haar
hoogleraarschap en directeurschap van het laboratorium
Willie Commelin Scholten neer en werd ze opgevolgd door
Louise P.C. Kerling. Het Centraal Bureau voor Schimmelcultures
bleef nog zes jaar aan de goede zorgen van Kerling
toevertrouwd. Toen zij zich volledig uit haar werk had teruggetrokken
heeft ze haar laatste jaren met aderverkalking moeten
leven; 15 november 1961 overleed ze op 78 jarige leeftijd in
haar woonplaats Baarn.
In Hazewinkels inaugurele rede over ‘De straf en haar
achtergrond’, sprak Derkje haar afschuw uit over ‘de leer van
de vergelding’ en deed haar mening uit de doeken over de
theorieën die het begrip ‘straf’ beschouwen als dé bescherming
van de rechtsorde in Nederland en toen eenmaal haar
opvoedende taak er bijna op zat, verschenen er steeds meer
publikaties van haar hand; in 1939 bijvoorbeeld, schreef zij een
belangrijke verhandeling tegen het instituut van de gevangenhouding
van hardleerse criminelen of verdachten van criminele
handelingen. Nog enkele door haar geschreven boeken zijn;
haar bekendste, ‘Inleiding tot de studie van het Nederlandse
strafrecht’ uit 1953, tijdens haar leven driemaal herdrukt
(inmiddels is de 14de druk in 1995 verschenen). Een ander
belangrijk boek was het bekende ‘De doolhof van het beroepsgeheim’
uit 1968.
Hazewinkel was een goed docente en trad haar studenten
met veel warmte tegemoet, daarentegen was ze als examinator
gevreesd om haar ongelooflijke precisie.
Met haar faculteitgenoten Scholten en Hoetink was ze in de
oorlogsjaren één van de weinige hoogleraren in de academische
senaat die zich verzetten tegen het toegeeflijke gedrag
van de universiteit richting de bezetter. Het mede door haar
ingediende voorstel om de universiteitsdeuren te sluiten, als
reactie op het ontslag van enkele Joodse docenten, werd door
de Amsterdamse academische senaat verworpen. Vanwege
haar anti-duitse houding werd ze door de bezetter ontslagen
uit haar functie en verbannen uit de hoofdstad. Ondanks al deze
buitengewoon vervelende ervaringen was ze – zoals een artikel van haar in 1947 in het Tijdschrift voor
Strafrecht duidelijk maakte – tegen het opnieuw invoeren van
de doodstraf; op dat moment zeker niet de gemiddelde denkwijze
van het geplaagde Nederlandse volk.
De hoge verwachtingen die de Universiteit en de Nederlandse
rechtswetenschap van haar als eerste vrouwelijke hoogleraar
hadden, heeft ze perfect waargemaakt. Ruim een kwart eeuw
heeft ze op zeer succesvolle wijze haar taken uitgeoefend.
Derkje Hazewinkel-Suringa overleed op 2 augustus 1970 in
haar woonplaats Enschede. Ze werd 81 jaar oud.
Hans Elstgeest
|