Carel Gabriël Cobet
1813–1889
Cobet! Een professor? Maar..- zult u denken – de
Cobetstraat ligt in de Burgemeesterswijk! Daar heeft u
een punt. Het geval wil dat een aantal professoren
vernoemd zijn in dit deel van de wijk, nog lang voor er
sprake was van een professorenwijk. Waarschijnlijk bij
gebrek aan burgemeesters en een overschot aan straten
werden deze naar grote Leidse wetenschappers vernoemd
(Kern, Blok, Verdam, etcetera). Daarom: Carel Gabriël
Cobet.
De familie Cobet keert na de geboorte van Carel Gabriël
(28 november 1813) terug in Nederland. Carel was in Parijs
geboren waar zijn vader te werk was gesteld bij het Algemeen
Departement van oorlog. In die tijd heerste de Fransen over de
lage landen en in 1813 was dat allemaal achter de rug en kon
de familie Cobet in Nederland aan hun toekomst gaan bouwen.
In Den Haag wordt door Carel de Departementsschool
doorlopen. Zoals het vaak gaat bij mensen met een gave
komen in deze tijd Cobets bijzondere gaven aan het licht.
Op school worden bijzondere resultaten behaald en zijn alle
partijen het er snel over eens (zijn ouders, de schoolleiding)
dat Carel een studie in de theologie zou kunnen aanvangen.
Op 14-jarige leeftijd verlaat hij daarom de Departementsschool
en gaat de daaropvolgende vijf jaren de opleiding volgen
op de Latijnse school. Tijdens deze periode wordt Cobet
bevangen door de schoonheid van de Griekse taal. Op 7 mei
1832 laat hij zich inschrijven als student theologie aan de
Leidse Universiteit. Direct hierna komt het gezin naar Leiden.
Voor korte tijd vestigen zij zich op de Mare, in 1833 vertrekken
zij, Carel achterlatend, naar Zwolle. Carel gaat op kamers aan
het Rapenburg.
Geen colleges Thorbecke
In 1835 laat Cobet zijn studie theologie voor wat het is en begint
een studie in de letteren. Tijdens zijn studie zijn voornamelijk
professor Bake en professor Geel zijn docenten. Ook
Thorbecke behoort tot deze groep, maar Cobet weigert diens
colleges te volgen. Dit gaat hem lelijk opspelen als zijn doctoraal
examen afgelegd dient te worden. Thorbecke geeft te kennen
geen getuigschrift te verlenen wegens onvoldoende bewijs
van bijgewoonde colleges. Cobet heeft geen poot om op te
staan. Bake en Geel vinden dat voor Cobet een uitzondering
gemaakt dient te worden en bedenken de volgende constructie.
Cobet wordt naar het buitenland gestuurd om materiaal te
gaan vergaren voor een uitgave handelend over de Griekse
Wijsbegeerte, Taal- en Letterkunde. Cobet mag vertrekken op
voorwaarde dat hij in het bezit is van een geldig getuigschrift.
Hierdoor wordt Cobet alsnog – na zijn proefschrift te hebben
verdedigd – op 20 oktober 1840 tot doctor benoemd, al is dit
op voorwaardelijke basis. Thorbecke houdt de benoeming nog
een tijdje af. Uiteindelijk geeft deze zijn verzet op en op 17
maart 1841 wordt Cobets benoeming definitief.
Een eigen huis
Met grote ijver en inzet heeft Cobet in het buitenland zijn opdracht
vervuld. Enorme hoeveelheden materiaal had hij verzameld
die ook voor zijn eigen werk van grote waarde bleken te
zijn. Na vijf jaar intensief speurwerk keert Cobet terug naar
Leiden. Daar wordt hij direct benoemd tot buitengewoon
hoogleraar in de Romeinse Antiquiteiten als opvolger van professor
Mahne. Op 20 juni 1846 aanvaardt hij deze taak. In 1847
trouwt Cobet met Jeanette Madeleine Oliphant. Tot dan toe
had hij nog altijd op kamers gewoond, maar nu wordt een eigen
huis aan het Rapenburg betrokken. Een jaar later, in 1848,
treedt prof. Peerlkamp af en komt zijn leerstoel vrij. Cobet
mag deze gaan bezetten en wordt benoemd tot gewoon hoogleraar.
De opdracht wordt uitgebreid met Oude Geschiedenis
en met Griekse Taal- en Letterkunde en Antiquiteiten.
Ontgroening
Als docent is Cobet een graag gezien en geliefd persoon
geweest. Zijn kwaliteiten als hoogleraar waren groot. Hij kon
boeiend en gepassioneerd vertellen en wist zijn toehoorders
het nodige inzicht van het Grieks in al zijn facetten bij te
brengen. Het door hem gemaakte examen-materiaal was over
het algemeen niet eenvoudig. Hij wist door al zijn kennis en
liefde voor het Grieks soms niet dat zijn leerlingen niet altijd
over zo’n grote gave als hij beschikten. Hij was iemand met
ouderwetse denkbeelden, met name als het ging om methoden
tot ontgroening van eerstejaars studenten. Cobet heeft
vaak aan de bel getrokken als in zijn ogen de situatie uit de
hand dreigde te lopen. Later, tijdens zijn rectoraat van de Universiteit
zou hij deze ontgroeningen nogmaals aan de kaak
stellen. Tot iets structureels heeft dit niet geleid. In 1858 werd
Cobet verlost van de klassieke talen zodat hij zich uitsluitend
op de Griekse Taal- en Letterkunde en Antiquiteiten kon
richten.
Geen sprekers
Het is 1884 als Cobet na een werkzaam leven en een buitengewone
staat van dienst als hoogleraar met emeritaat gaat.
Snel daarna krijgt hij last van een kwaal die uiteindelijk zijn
dood zou betekenen. Op zaterdag 26 oktober 1889 overlijdt
Cobet in Leiden, alwaar hij al sinds 1865 als weduwnaar had
geleefd. Op de begraafplaats Groenesteeg wordt zijn stoffelijk
overschot met dat van zijn overleden vrouw herenigd en vinden
zij in het familiegraf hun laatste rustplaats.
Zijn teraardebestelling wordt op zijn uitdrukkelijke wens zeer
eenvoudig gehouden. Cobet wilde geen sprekers aan het graf.
|  |