Professor Tobias Michel Carel Asser

De Asser's waren generaties lang een vooraanstaand Joods juristengeslacht. Zij bekleedden
hoge posities in de Joodse gemeenschap in Amsterdam. Al was Tobias' optreden in het leven belangrijk voor het aanzien van
het Jodendom in Nederland, zelf had hij het Joodse geloof de resterende vijftien jaar van zijn leven de rug toegekeerd.
Studietijd
Na de particuliere school begint Asser in 1856 aan zijn rechtenstudie aan het Amsterdamse Athenaeum
Illustre.
Twee jaar later won hij een door de Leidse universiteit uitgeschreven prijsvraag: dat leverde een gouden medaille op.
Het is 19 april 1860 als Asser promoveert in Leiden bij professor S. Vissering. Datzelfde jaar wordt hij samen met
elf anderen aangewezen om zitting te nemen in het comité dat de afschaffing van de Rijntolheffing van de Rijnoeverstaten
moest gaan bewerkstelligen. In 1967 is mede door Assers inzet de afschaffing van de Rijntolheffingen een feit.
Eerste ambtsjaren
Inmiddels advocaat in Amsterdam, wordt hij twee jaar na zijn promotie benoemd tot hoogleraar in het Burgerlijk- en Handelsrecht
aan het Amsterdamse Atheneum Illustre. Als docent stond hij bekend als iemand die zijn colleges op de praktijk afstemde en
hij werd door zijn studenten alom gewaardeerd. Er werd zelfs gezegd door sommige studenten dat zij in één college van Asser
meer opstaken dan van andere docenten in een heel semester.
Huwelijk
Op 22 juni 1864 trad hij in het huwelijk met Johanna Ernestina Asser. Het gezin zou zich uitbreiden tot zes personen.
In dezer jaren neemt Asser ijverig deel aan internationale congressen waar hij met diverse buitenlandse juristen in contact komt.
Met enkele daarvan wordt in 1868 de ‘Revue de Droit International et de Legislation Comparee’ opgericht. Dit tijdschrift was
in het leven geroepen om juristen over de hele wereld op de hoogte te houden van de stand van zaken in hun vakgebied.
Vijf jaar later richt hij samen met de Italiaan Mancini het ‘Institut de Droit International’ op. Deze vereniging wordt
te Gent opgericht met de bedoeling het internationale recht te bevorderen. In 1904 het het ‘Institut’ als zodanig de Nobelprijs
voor de Vrede overhandigd krijgen.
Conferenties
Sinds 1870 is hij lid (vanaf 1898 voorzitter) van de staatscommissie van het internationaal privaatrecht. In 1875 wordt hij
raadsadviseur voor het Ministerie van Buitenlandse zaken. In die functie maakt hij daal uit van verschillende conferenties
zoals de Congoconferentie in 1884 en de Suezkanaalconferentie in 1885.
Vanaf 1893 is Asser lid van de raad van State en treed hij af als hoogleraar.
In 1893 is er een conferentie in Den Haag die wordt voorgezeten door Asser. Tijdens Deze conferentie wordt de bodem gelegd
voor een vruchtbare internationale samenwerking op het gebied van privaatrecht. Het succes van deze laatste conferentie krijgt
een vervolg als hij daarna in 1894, 1900 en 1904 een reeks van conferenties op het internationale privaatrecht mag leiden als
voorzitter. Conferenties met betrekking tot afspraken en wetgeving over echtscheiding, huwelijksconflicten etc. werden
uiteindelijk in 1902 door Assers inzet door 15 lidstaten ondertekend. En passant lost hij nog even een Russisch-Amerikaans
geschil op in 1902.
Beloningen
Al deze vormen van inzet worden in 1904 bekroond met een benoeming tot minister van Staat. Internationaal uit zich de waardering
in de uitreiking van de Nobelprijs voor de Vrede in 1911. Deze prijs moest hij overigens delen met een journalist, de Oostenrijker
Alfred Fried. In 1913 werden zij nogmaals voor hun werk bekroond wanneer de Leidse Universiteit hem, samen met twee andere
personen, ter gelegenheid van de opening van het Vredespaleis in Den Haag, een eredoctoraat verleend, dat Asser door zijn plotseling
overlijden niet meer in ontvangst heeft kunnen namen.
Asser had een bescheiden maar belangrijk aandeel bij de oprichting van het Vredespaleis in Den Haag. Hij heeft ook enkele
vredesconferenties actief bijgewoond. Verder werd Asser overladen met diverse onderscheidingen.

Overleiden
Begin 1911 krijgt Asser het advies om het wat rustiger aan te gaan doen; klachten van vermoeidheid dwongen hem rust te nemen.
Maar Asser kon de rust niet vinden. Hij nam zich voor zijn oude ritme weer op te pakken. Te vroeg was hij weer aan het werk gegaan.
Zijn gezondheid reageerde met een fataal protest en op 29 juli van het jaar 1913 overleed hij in zijn woonplaats Den Haag.
Hans Elsgeest
Bron: Wijkkrant 17, augustus 2000
|