Boom in de buurt
De gewone vlier, een parel aan de Lorentzkade
“Witte bloemenwolken
Zwarte bessen
Hoestsiroop
…nergens zo goedkoop.
Een geschenk van vrouw Holle.”
(Malihapi Malu, geb 1955, citaat uit onuitgegeven werk)
In juni, juli en augustus, als de gewone vlier (Sambucus
nigra L.) bloeit, zijn er inderdaad bloemenwolken te zien
boven de forse oude boom tegenover de Lorentzkade 1 en
2. Deze gewone vlier is een prachtexemplaar met mooie
dikke stammen. Gewoonlijk bloeit hij uitbundig. In de
regel worden vlieren niet erg oud. Aangeplant worden ze
bijna nooit. De meeste vlieren in onze wijk zijn opgekomen
uit zaad dat door vogels is verspreid. Vaak kiemen ze op
plaatsen waar ze eigenlijk niet gewaardeerd worden. Niet
iedereen wil een vlier in haar of zijn tuin.
Vlier (foto Jos Verstegen)
In het openbaar groen staan vaak vlieren. Daar krijgt de boom
de kans om op te groeien omdat er niet iedere week wordt geschoffeld
en er ook geen andere begroeiing in de weg staat. Gewone vlieren
zijn te vinden in het Trigonpark, het Roomburgerpark, in diverse middenbermen,
in het groen tussen de Lorentzkade en de Van den Brandelerkade
en ook in het groen tussen de Uhlenbeckkade en de Meijerskade. In de
bloeiperiode zijn het
vaak meer dan bloemenwolken die je ziet; de bloeiende vlieren
vormen parelsnoeren. Het is een prachtig gezicht.
Ook menig particuliere tuin wordt door deze boom opgefleurd,
zoals de tuin van de Du Rieustraat 2. Daar groeit een
forse oude boom. Zou er in onze wijk wel één straat zijn waar
geen gewone vlier groeit?
Vlieren en dieren
Vogels zijn belangrijke verspreiders van de vlier. Dat kun je
merken als de boom bessen heeft en je je was naast zo’n boom
laat drogen. De vogels eten deze bessen, als zij hun eerste
poep op je wasgoed laten vallen, kleurt dit prachtig paars. Het
heeft wel als gevolg dat je de was weer moet gaan doen.
De vogels hebben ook voor de parelsnoeren in onze wijk gezorgd.
Na een vlierbessenmaaltijd zitten zij vaak in een boom
of struik en poepen daar de zaden uit. En die gaan kiemen. De
kieming vindt plaats in het voorjaar, veelal op kale grond. De
kiemplanten kunnen niet goed concurreren met andere planten
en ze kunnen niet goed tegen begrazing.
De vlier trekt tijdens de bloei veel insecten aan. Het is geen
plant waarvan de bladeren door veel dieren worden gegeten.
Konijnen eten in de duinen van veel gewassen, de vlier laten ze
links liggen. Ik raad iedereen, die een konijn heeft, aan eens
een tak van een vlier en één van een wilg
in het konijnenhok te leggen. Zo lekker
als het konijn de wilg vindt, zo’n afkeer
heeft hij van de vlier. Dat heeft ongetwijfeld
te maken met de geur die de boom afgeeft.
Toch zijn er insecten die leven op de vlier.
Kolonies bladluizen (Aphis sambuci) zitten
graag op de jonge bladeren. Deze
soort is met sambuci zelfs naar Sambucus genoemd. Weeda et al.,
noemen in de Nederlandse oecologische flora (uitgave 1995)
verder bladwespen uit het geslacht Macrophya en de vlieg mi-
neervlieg (Liriomyza amoena). Larven van de mineervlieg graven
gangen in het weefsel van het blad.
Familie
Volgens de nieuwste Van Dale (Groot woordenboek van de Nederlandse
taal), uitgave 2005, hoort de vlier thuis in de Kamperfoeliefamilie,
de Caprifoliaceae. De samenstellers van de
Van Dale konden niet weten dat kort na het verschijnen van
hun werk een nieuwe (23e) editie van Heukels’ flora zou uitkomen.
Daarin wordt de gewone vlier geplaatst in de Muskuskruidfamilie,
de Adoxaceae. In de 22ste editie van Heukels’
flora uit 1995 stond de vlier nog wel in de kamperfoeliefamilie.
Dat komt omdat de indeling van planten vroeger gebaseerd
was op morfologische kenmerken. Uit recent DNA-onderzoek
blijkt vaak dat verwantschappen tussen planten heel anders
liggen dan eerder gedacht en daarom is de vlier niet meer samen
met de kamperfoelie in één familie ingedeeld. Beide
planten zijn nog wel nauwe verwanten want de familie van de
vlier heeft als rangnummer 132 gekregen en die van de kamperfoelie
133.
In de Van Dale uit 2005 valt nog iets op als we naar het woord
“vlier” kijken. Als tweede betekenis van ‘vlier’ wordt het woord
‘violier’ genoemd. Het etymologische woordenboek Van Dale,
uitgave 1991, zegt dat vlier is ontstaan uit violier. Volgens de
nieuwste Van Dale moet bij violier niet worden gedacht aan
een viooltje maar aan:
1 een plant uit het geslacht Matthioloa
van de kruisbloemenfamilie, m.n. de soorten Matthiola annua
(de zomerviolier) en Matthiola incana, veel als sierplant
gekweekt;
2 muurbloem;
3 anjelier.
Dat zijn toch hele andere
planten dan een vlier! Wie komt er nu op het idee het woord
vlier af te leiden uit het woord violier?
Woordenboeken zijn – botanisch gezien - niet helemaal te vertrouwen.
De zomerviolier en de muurbloem horen thuis in de
Kruisbloemenfamilie, de Brassicaceae. Dat is dus correct. Maar
de vermelding van de anjelier in die familie is niet goed. Die is
ondergebracht in de familie van de anjers, de Caryophyllaceae.
Ook in de 22ste editie van Heukels’ flora zaten de zomerviolier,
de muurbloem en de anjelier niet in dezelfde familie.
Standplaats
In de nieuwste Van Dale staat achter vlier ook: moerassige
grond met een veenlaag erop, syn. moerasveen, samengetrokken
uit vledder. Achter vledder staat: vlier, nevenvorm van vlier
(vlierbes). Helemaal begrijpen doe ik Van Dale niet. Waarom
staat er achter vledder niets over moerasveen?
In Heukels’ flora staat dat de vlier groeit op vochtige, matig
voedselrijke, humeuze grond in loofbossen, aan beekoevers
en in beschaduwde bermen. In die omschrijving zit iets van de
moerassige grond van de Van Dale. Volgens mij heeft een vlier
echter niet echt vochtige bodem nodig. In steden groeien vlieren
groeien vaak op voedselrijke grond. Wat dat betreft dragen
poepende honden veel bij aan de kwaliteit van de grond waarop
een vlier het goed doet.
Mensen en vlieren
Ooit vlierbessenjam gegeten of vlierwijn gedronken? Of pannenkoeken
gebakken met daarin stukjes van de bloemetjes
van de vlier? Die vlierproducten zijn heerlijk.
De vlier heeft een belangrijke rol gespeeld in de geneeskunde.
Volgens de volksgeneeskunde heeft bijvoorbeeld verpulverde
bast van de vlier in witte wijn een laxerend effect. Hippocrates
(+460 tot +377 v. Chr.) schreef al over het gebruik van de vlier
in de geneeskunde.
De boom heeft ook een plaats gekregen in volksgeloof en mythologie.
De soort is zoals Malihapi Malu het noemt een geschenk
voor de mens. M. De Cleene & M.C. Lejeune (2000)
noemen de gewone vlier een afwerende boom die wordt aangeplant
tegen blikseminslag, toverij, brand, heksen, weerwolven
enz. Zouden de vlieren in onze wijk die functie tegen
onheil ook in onze wijk vervullen?
Rinny E. Kooi
Vlier (foto: Jos Verstegen)
|  |