In deze rubriek wordt een
professor, naar wie een straat in
de wijk is vernoemd, uitgelicht
Deze keer is dat Jacob Maarten
van Bemmelen.
Na professor Franchimont (wijkkrant 50)
is het nu de beurt aan professor Van
Bemmelen. Deze twee hoogleraren hebben
de Leidse chemie weer ‘op de kaart
gezet’ nadat deze wetenschap in 1874
werd opgesplitst in twee aparte takken
(organische en anorganische chemie). De
basis voor deze twee succesvolle carrières
werd gelegd door hun beider leermeester
Anthony Hendrik van der Boon Mesch.
In 1804 te Delft geboren alwaar hij de
Latijnse school doorliep en daarna in
1821 te Leiden kwam studeren. In 1826
promoveerde hij te Leiden en werd hij
aangewezen als de nieuwe lector in het
onderwijs in de scheikunde. Na drie
jaar werd dit lectoraat omgezet in een
benoeming tot buitengewoon hoogleraar.
In 1836 werd hij benoemd tot gewoon
hoogleraar. Hij gaf in eerste instantie
colleges technische chemie en medischeen
‘pharmaceutische’ chemie. Deze takken
van de chemie werden later verdrongen
door het les geven in de organische- en
anorganische chemie. In 1844 kwam die
chemie geheel voor zijn rekening.
Na al het geploeter in steeds te kleine
onderkomens kwam in 1859 het nieuwe
chemische laboratorium als onderdeel van
het grote laboratorium op ‘de Kleine Ruïne’
aan het Steenschuur gereed (tegenwoordig
bekend als het Kamerlingh Onnes
Laboratorium).
Het chemisch laboratorium
was geheel volgens Van der Boon Mesch’
plan tot stand gekomen en ingericht. In
1874 werd hij 70 en droeg hij zijn taken
over aan bovengenoemde heren. In die tijd
werd overigens alweer reikhalzend naar
een ruimer onderkomen uitgekeken, maar
men zou het er (op het Steenschuur) nog
een kwart eeuw mee moeten doen. Van
der Boon Mesch stierf in datzelfde jaar op
12 augustus te Leiden.
Van Bemmelen volgt dus zijn oude leermeester
op en wordt hoogleraar in de
anorganische scheikunde, een onderdeel
van de scheikunde die zich bezighoudt
met onderzoek van niet-organische stoffen.
Deze zijn de zogenoemde niet-koolstof
bevattende verbindingen (op enkele
uitzonderingen na zoals CO en CO2).
Landbouw
Jacob Maarten van Bemmelen, wordt in
Almelo op 3 november 1830 geboren.
Zoon van een rector aan de Latijnse School
in Almelo en diens vrouw Antoinetta
Adriana de Kempenaer. Vader Jan overlijd
(op 26 december) vlak na de geboorte
van Jacob waarna het gezin naar Leiden
verhuist. Daar doorloopt Van Bemmelen
de lagere school, de Latijnse School
en gaat hij in 1847 studeren aan de
Leidse Universiteit. In 1852 vertrekt Van
Bemmelen naar Groningen waar hij als
assistent van P.J. van Kerckhoff tot 1860
werkzaam is. Hij voltooit er zijn studie en
sluit deze af als hij op16 oktober 1854
even terug is in Leiden en bij Van der Boon
Mesch promoveert.
In 1856 gaat Van Bemmelen les geven in
de vakken scheikunde en natuurkunde.
Eerst aan een industrieschool, later aan
een landbouwschool in Groningen. Zelf
bestudeert hij in deze tijd samenstellingen
van grondsoorten waarbij hij probeert de
scheikunde toe te passen in de landbouw.
In 1858 trouwt hij zijn Maria. De familie
breidt zich uit met twee zonen en drie
dochters.
Zijn studie naar de bodemgesteldheid
resulteert in vele wetenschappelijke
uitgaven: in 1863 verschijnt van zijn
hand ‘Bouwstoffen tot de kennis van de
kleigronden in de provincie Groningen’.
Een jaar later ‘Over den samenstelling en
den aard der grondsoorten die voor de
meekrabcultuur geschikt zijn‘ (meekrab
= plantaardige rode kleursof). In 1868
‘Scheikundig onderzoek van terpaarde’.
Na al deze publicaties vertrekt Van
Bemmelen naar Arnhem voor de functie
van directeur van de Arnhemse HBS. Een
jaar daarna wordt hij mededirecteur van
een middelbare meisjesschool in Arnhem.
Leidse leerstoel
Vlak voor het bestijgen van de Leidse
leerstoel wordt hij benoemd tot lid van de
Koninklijke Academie van Wetenschappen
in Amsterdam.
Eenmaal in Leiden, hij woont dan op
de Hogewoerd, gaat hij verder met zijn
bodemonderzoekingen. Deze onderzoekingen
hadden betrekking op de drooglegging
van diverse polders in ons land.
Buiten het onderzoek op gebied van eigen
bodem, bestudeerde Van Bemmelen ook
bodemmonsters uit landen als Indonesië
(vulkaanmonsters).
Al deze bodemonderzoekingen van
verschillende soorten grond leidden
uiteindelijk tot experimenteel onderzoek
van colloïden. Daarmee verwierf hij zijn
grootste bekendheid . Van Bemmelen
beschreef bijvoorbeeld hoe akkeraarde
in staat was bepaalde zuren, basen en
zouten vast te houden en schreef dat toe
aan in de akkeraarde aanwezige colloïdale
stoffen.
Van Bemmelen was een sympathieke
mens, in zijn werk was een gedreven man
en hij stond bekend als een uitstekend
docent. Onder andere Lorentz en
Kamerlingh Onnes waren leerlingen van
hem. Van Bemmelens college-assistent
Bakhuis Roozeboom is een goed voorbeeld
van zijn ‘oog’ voor goede wetenschappers
die hij de mogelijkheid heeft geboden om
de scheikundestudie met goed gevolg af
te kunnen ronden.
Naast al zijn onderzoekswerk heeft
Van Bemmelen ook nog tijd voor
andere werkzaamheden, zoals zijn
bestuursfuncties van bijvoorbeeld het
genootschap ‘Mathesis Scientiarium
Genitrix’ of die van de commissie die
toezicht hield op het lager onderwijs
in Leiden, of van de praktische
ambachtsschool te Leiden, etc. etc...
Emiraat
Van Bemmelen bereikt in 1901 de leeftijd
van 70 jaar, waarop automatisch het
emeritaat volgt. Dat hield overigens niet
in dat hij op zijn lauweren ging rusten,
integendeel. Van Bemmelen’s is er de man
niet naar om met de handen over elkaar
de dagen aan zich voorbij te zien trekken.
Hij was dan geen hoogleraar meer, maar is
nog dagelijks hij te vinden in het laboratorium
om zijn onderzoeken voort te zetten.
Pas als hij in 1910 ziek wordt trekt hij zich
volledig terug.
Hij is de tachtig gepasseerd als hij in 1911
op 13 maart in ‘zijn’ universiteitsstad
Leiden overlijdt.
De verhuizing naar het nieuwe onderkomen
aan de Hugo de Grootstraat heeft
hij niet meer mogen meemaken. Het inmiddels
in 1901 gereed gekomen lab voor
de organische chemie was in het jaar van
zijn emeritaat wel al in gebruik genomen
door zijn collega Franchimont. Uiteindelijk
werd in 1916 het anorganisch laboratorium
geopend.
Bronnen:
- De geschiedenis van de scheikunde in
Nederland (Snelders);
- De wiekslag van hun geest (Otterspeer);
- Leids jaarboekje (ver. Oud Leiden:
Schreinemakers);
- Meer dan zes eeuwen Leids Gymnasium
(Coebergh van den Braak);
- Nieuw Nederlands biografisch woordenboek
(Snelders);
- Wikipedia;
- Winkler Prins Encyclopedie.
|