
Over een bijzondere,
Algerijnse zilverspar,
en dat in onze wijk!
enkel een boom zijn
een boom van grond tot hemel
een boom zijn en staan
Johan Christiaan van Schagen (1891-1985)
Om een bijzondere boom te zien hoef je
niet een verre reis te maken. En ook niet
naar een andere stad of dorp te reizen
In onze wijk is er één te vinden. De
Algerijnse zilverspar in de voortuin van
de Uhlenbeckade1 is zo’n exemplaar.
Bedreigde soort
Regelmatig keek ik naar deze zilverspar
en hij stond al heel wat jaren op de lijst
van de te bespreken bomen voor de
wijkkrant. Dat werd steeds uitgesteld
omdat ik de soortnaam niet wist, en
hem ook nog moest tekenen. Tegen
dat laatste zag ik een beetje op want
het is geen gemakkelijke boom om af
te beelden. Eind augustus verzamelde
ik tekenmateriaal en ging aan het
determineren. Dat laatste was niet
eenvoudig. Ik dacht dat ik de correcte
soortnaam had gevonden en liet mijn
determinatie controleren door een
collega van het Nederlands Centrum
voor Biodiversiteit Naturalis, afdeling
Herbarium. De dag dat ik bij hem langs
ging was daar Aljos Farjon op bezoek,
medewerker van het herbarium van
de Royal Botanic Gardens, Kew, in
Londen. Ik had geluk want Farjon is bij
uitstek een deskundige op het gebied
van de naaktzadigen, de plantengroep
waarin de naaldbomen thuishoren.
Mijn determinatie was bijna goed. Deze
zilverspar was Abies numidica glauca,
een heel bijzondere soort.
Farjon heeft over deze boom
gepubliceerd en vertelde mij
bijzonderheden over deze soort die zeer
bedreigd is in zijn voortbestaan. Hij
komt van nature in een beperkt gebied
voor, nl. in de streek de Kabylie range,
een onderdeel van het Atlasgebergte, in
Algerije. Die streek behoorde vroeger
tot het koninkrijk Numidië. Daar zijn
twee bergen, de Babor (met 2004
meter de op één na hoogste berg van
het Atlasgebergte) en de Tabaror, met
de enige natuurlijke vindplaats van
A. numidica. De bomen groeien daar
verspreid op een hoogte van 1800-
2000 meter Wikipedia). Tijdens een
recente expeditie is slechts één boom
gevonden! Zou dat de laatste zijn?
Omdat er nog nauwelijks bomen over
zijn loopt A. numidica volgens Frajon
een grote kans uit te sterven als daar
een grote bosbrand uitbreekt. De
neerslag, veelal sneeuw, is daar jaarlijks
1,500–2,000 mm. De zomers zijn warm
en droog (Wikipedia). Het is daarom niet
verwonderlijk dat deze zilverspar goed
tegen droogte kan.
Uit Algerije naar Leiden
Honderdvijftig jaar geleden, in 1861,
ontdekte ‘le capitaîne de Guilleil’ (J.
Brosse, 2010, Larousse des Arbres) deze
zilverspar en voerde hem in Frankrijk in.
Deze boom is nu in Frankrijk in diverse
botanische tuinen te vinden, o.m. in de
arboretums Chêvreloup bij Versailles en
Les Barres bij Orléans. Toen ik Farjon de
jonge twijgen van A. numidica liet zien
verbaasde het hem dat hij in een voortuin
in Leiden groeide. Farjon wilde graag
weten hoe deze boom hier is gekomen.
De eigenaresse van de boom vertelde
mij dat hij ca. 30 jaar geleden door haar
moeder als dure potplant is gekocht in
een tuincentrum. Vermoedelijk zag zij
toen de kegels van die plant en wilde
hem daarom hebben. Dat tuincentrum
heeft hem mogelijk via de groothandel
ingekocht. Een zelfde zilverspar is
volgens Arie Lautenbach, betrokken
bij het arboretum Ter Borgh bij Anlo,
in 1992 bij hen aangeplant. Die boom
is waarschijnlijk in Duitsland gekocht.
Overigens is A. numidica tegenwoordig
in enkele tuincentra te koop maar ik
vermoed dat er in ons land nog niet veel
hoge Algerijnse zilversparren groeien.
In 1866 is de wetenschappelijke naam
van deze zilverspar (Abies numidica de
Lannoy ex Carrière, 1866) vastgelegd.
Carrière heeft de soort beschreven,
en in 1866 heeft de Lannoy erover
gepubliceerd in ‘Revue Horticole
37’. De geslachtnaam Abies van de
zilverspar is de vertaling van het Latijnse
woord voor spar of den (Backer, C.A.,
2000. Verklarend woordenboek van
wetenschappelijke plantennamen, Veen,
Amsterdam). Numidica wijst op Numidië,
de streek in het huidige Algerije. In
Leiden groeit de blauwe, de glauca,
variant. In 2001 in de wijkkrant nr. 20
heb ik geschreven over een andere boom
uit het Atlasgebergte met een blauwe
kleur, de atlasceder (Cedrus libani A.
Rich. subsp. atlantica (Endl. variant
glauca)).
Kegels en verlaten centrale assen
Een Algerijnse zilverspar kan ca 15 meter
hoog worden. Het is een boom die
houdt van een kalkrijke bodem. Uit
waarnemingen van kwekers blijkt dat de
boom na aanplant wat tijd nodig heeft
om zich goed te kunnen vestigen. Ook
de zilverspar aan de Uhlenbeckkade
groeide de eerste vijftien jaar nauwelijks.
De laatste jaren schiet hij omhoog en
vormt volop kegels. Een zilverspar is
eenhuizig. De mannelijke bloeiwijzen,
katjes, zitten aan de onderzijde van
twijgen, die een jaar eerder zijn
gevormd. Ze vallen nauwelijks op. In
augustus komt het stuifmeel vrij. Daarna
vallen de mannetjes af. De kegels van
een zilverspar, vrouwelijke bloeiwijzen,
staan vaak hoog in de boom op een
twijg. Een kegel bestaat uit 150-200
dekschubben waartussen per dekschuld
twee gevleugelde zaden zitten. Die
dekschubben zitten vast aan een centrale
as. Eind augustus beginnen de kegels
te rijpen. Er komt dan kleverige hars
naar buiten die de kegels beschermt
tegen insectenvraat. De zaden zijn dan
snel rijp, de dekschubben laten los en
de kegels beginnen uiteen te vallen. De
dekschilden vallen op de grond en de
zaden worden door de wind verspreid.
In november zijn er veel verlaten
centrale assen op twijgen te zien. Ook
die assen vallen na verloop van tijd af.
Als overigens twijgen worden afgeknipt
komt er ook kleverige hars naar buiten.
De relatief platte naalden zijn 1,5-2,5
cm lang, 2-3 mm breed en 1 mm dik; ze
zijn blauwig/groen, ze hebben twee rijen
huidmondjes aan de onderzijde. Ook aan
de bovenzijde, bij de punt, zitten enkele
huidmondjes. Op grond van die laatste
huidmondjes kon Farjon vaststellen
dat ik hem Abies numidica liet zien! Ik
had hem onmogelijk zelf goed kunnen
determineren omdat ik dat kenmerk niet
kende. Het is echt een bijzondere boom,
een boom waaraan Schagen een gedicht
als hierboven geciteerd zou hebben
kunnen opdragen!
Arboretum Professoren- en Burgemeesterswijk
Rindert Kromhout laat in ‘Soldaten huilen
niet’ (Uitgeverij Leopold, 2010 p. 258-
259) een dominee zeggen: “Maar als je
eiken plant in een boomgaard waarin
alleen maar appelbomen stonden, is
die boomgaard niet meer dezelfde als
eerst”, waarop een moeder antwoordt
’’Hij wordt er minder saai door”. Dat
geldt ook voor de aanplant van de
bomen in onze wijk. De afwisseling
aan soorten en hun verscheidenheid
maken van onze wijk, mede door de
inzet van de bewoners, a.h.w. een
bomentuin: Arboretum Professoren- en
Burgemeesterswijk. Ik heb nog lang niet
alle soorten besproken, er zijn er zoveel!
In dierentuinen en plantentuinen, zoals
hortussen en arboretums zijn bedreigde
soorten dieren en planten te vinden.
Hun taak is het om zeldzame soorten te
bewaren. Dat ook bomen in stadstuinen
die functie kunnen hebben zal de meeste
mensen ontgaan. Deze Algerijnse
zilverspar heeft een onschatbare waarde!
Ik heb hem aangemeld voor de
lijst van te beschermen
bomen in Leiden. En
mocht iemand rond de
kerst uitgekeken zijn de
verlichte kerstspar, dan
raad ik aan een wandeling te
maken lang deze zilverspar. Ik
raak er niet op uitgekeken!
|  |