Winnend kerstverhaal
De tentoonstelling
door Riekje Renes
Op de middag voor Kerstmis was
het vol en druk in de stad. Mensen
haastten zich van winkel naar winkel op
zoek naar de vergeten ingrediënten voor
het kerstdiner en de laatste geschenken
voor onder de boom. Het begon al vroeg
donker te worden. Maar de talrijke kleine
lichtjes in de bomen en de grote bogen
met fonkelende sterren brachten een zee
van licht. De feestverlichting gaf een glinstering
op de met natte sneeuw bedekte
straten.
Voor een groot oud gebouw stond een
jonge man met een donkere huidskleur
in dunne zomerkleding. Zijn blote voeten
staken in doorweekte touwschoenen. Hij
droeg een baby in zijn armen. Met het
kind zeulde hij steeds een aantal stappen
heen en weer. Bij de ingang van het
gebouw bleef hij dan weer een tijdje staan
en tuurde over het plein, alsof hij op
iemand wachtte. Zijn schouders en armen
waren verstijfd door het gewicht van het
kind en de kou. Hij rilde en het kind onder
het dunne dekentje rilde mee. Het begon
zachtjes te huilen. Hij liep opnieuw op en
neer en wiegde het weer in slaap. Waar
bleef ze toch? Ze had allang terug moeten
zijn.
Veel mensen waren het gebouw, waar hij
voorstond, binnengegaan. Ze kwamen
er – soms in groepen, soms één voor
één – ook weer uit. Wat was dit voor
een gebouw? Wat deden die mensen
daar? Er hing een groot bord boven de
ingang.”Kribben uit alle landen, vandaag
gratis toegang “ Maar hij begreep die
woorden niet. Hij was nog maar een kleine
week in dit land, waar hij de taal niet
van sprak. Samen met zijn vrouw en kind
was hij het oorlogsgeweld in Afrika ontvlucht.
Hulpverleners hadden hen met een
jeep uit het erbarmelijke kamp gehaald en
in een vliegtuig gestopt. In dit koude land
waren ze met zijn drieën in één kamer in
een barak ondergebracht. Er woonden in
de barakken veel vreemdelingen, maar
niemand sprak hun taal. Met handen en
voeten en gebroken Engels probeerden ze
elkaar te begrijpen. Ze leefden in een roes
van vervreemding. Waar waren ze? Hier
klonken in ieder geval geen mitrailleurs
of geweerschoten. Alles was beter dan de
oorlog en de stammenhaat. Wat was hun
toekomst? Als ze maar bij elkaar bleven.
Maar zijn vrouw was nu verdwenen.
Een busje had hen als uitje uit het opvangcentrum
met wat geld naar de stad in
Kerstsfeer gebracht. Ze hadden rondgelopen,
maar durfden de winkels niet in te
gaan. Ze konden ook niet beslissen wat
het allerbelangrijkste was om te kopen. En
was het geld dan voldoende voor wat ze
wilden? Opeens legde Myriam het kind in
zijn armen, pakte het biljet uit zijn zak en
holde weg. “Ik weet iets, ik kom zo terug.”
Dat was een uur geleden. Ze was vast
verdwaald.
Kleine natte sneeuwvlokjes daalden weer
neer. Een comfortabele bus stopte vlak
voor de ingang. Met volle tassen beladen
mensen stapten uit en liepen snel naar
binnen. Yoesof waagde het om achter
hen aan te lopen. Het was er in ieder
geval droog en warm. Vanuit een glazen
hokje maakte een dame met haar hand
een vriendelijk gebaar dat iedereen kon
doorlopen. Hij liep langzaam achter de
groep aan. De mensen verdwenen in allerlei
zalen. Aarzelend ging hij er ook één
binnen.
Het Volkenkundige Museum had in
de Kersttijd een tentoonstelling van
kribbes uit vele eeuwen en landen. Grote
en kleine, van allerhande materialen,
daterend vanaf de vroege Middeleeuwen
tot de huidige tijd. Er stonden prachtige
gebeeldhouwde, marmeren, gouden,
zilveren of met juwelen ingelegde
exemplaren uit rijke kloosters. Simpele
stenen of houten voerbakken uit
de stallen van het platteland. Door
kunstenaars ontworpen eigentijdse
modellen voor een Adventshoek in
een modern gebouw. Gefiguurzaagde
burgerlijke huisvlijt voor de kerststal van
parochianen uit de vorige eeuw. In een
klein zijzaaltje stond op een verhoging
een eenvoudige bijna vergane ruwhouten
kribbe. Er waren paaltjes met koorden
omheen gezet. Een bordje aan het voorste
koord vermeldde dat deze kribbe uit
de streek en tijd van de geboorte van
Jezus kwam. Aanraken was ten strengste
verboden.
Hier liep Yoesof binnen om de vele bezoekers
in de grote zalen te vermijden. In
zijn land was hij gewend aan half vergane
materialen. Alles werd daar gebruikt tot
het in elkaar stortte. Het bordje kon hij
niet lezen. Wel voelde hij loodzwaar het
gewicht van het kind op zijn armen drukken.
Dit was toch een uitgelezen plek om
het even neer te leggen. Hij stapte over
het koord en legde zijn zoontje erin. Zelf
ging hij achter de verhoging op de grond
zitten en dommelde van de aangename
warmte en vermoeidheid in slaap.
Het bezoek aan de tentoonstelling was
een onderdeel van een dagtocht naar de
kerstmarkt in de gotische kerk van de
stad. De groep van voornamelijk keurig
geklede en gekapte grijze dames was
van de kloosterzaal in het zijkabinet
gekomen. Ze wierpen een vluchtige blik
op de oude kribbe, interessant maar niet
echt mooi. Ze wilden al doorlopen naar de
eigentijdse zaal, toen er een zacht gehuil
klonk. Vol verbazing keken ze opnieuw en
zagen het kind in de kribbe. “Een wonder,
een wonder”, riepen ze naar elkaar.
“Het kindeke Jezus is weer op aarde
gekomen. Wij moeten het aanbidden en
geschenken geven.” Ze tastten in hun
beladen boodschappentassen en legden
het goud, wierook en mirre van deze
tijd in de kribbe. Sieraden, koekjes en
bonbons, parfum en zeep. “Hoe leit dit
kindeke hier in de kou”, zong een vrouw
en legde een kasjmieren stola over het
kind. Een lamswollen trui, een bontmuts,
leren handschoenen en warme sokken
volgden. Wie vond dat haar inkopen niet
geschikt voor het kindje waren, opende
een beurs. Biljetten fladderden in het
rond, muntstukken rinkelden.
Even reageerde het kind verbaasd op
de lachende gezichten en de kirrende
stemmen. Daarna huilde het in een
hogere versnelling. Het had geen idee
van de gulle gaven. Het had honger, het
wilde z’n maagje gevuld. De stemmen
van de dames en het huilen van de baby
wekten Yoesof. Van achter de verhoging
kwam hij te voorschijn. De verwarring
was compleet. “Ben jij soms Kaspar, de
zwarte koning? Waar zijn dan Melchior en
Balthasar?” Ze keken naar de deur alsof
die elk ogenblik konden binnenschrijden.
In de deuropening verschenen echter een
boze suppoost en een verlegen zwarte
vrouw. “Stilte en wegwezen allemaal. Haal
dat kind er onmiddellijk uit, kan je niet
lezen?” priemde de suppoost met zijn
vinger naar het bordje. De stalbeleving
was verdwenen, de vrouwen dropen af. In
gebroken Engels legde de vrouw uit dat
hij de taal niet kende. In hun eigen taal
riep ze: ” Ik ben naar binnen gegaan, toen
ik je buiten niet zag. Ik was zo bang dat je
weg was. Kijk eens ik heb een woordenboekje
gekocht om de mensen in dit land
begrijpen. Het was lang zoeken naar één
in onze taal.”
Myriam pakte voorzichtig de baby uit de
oeroude kribbe. De geschenken bij elkaar
rapend zei Yoesof: “Ik was ook zo bang
dat ik jou kwijt was. Heel verstandig voor
de toekomst dat boekje, maar vandaag
was het een zegen om de taal niet te
begrijpen.”
|
|